Art Deco

Art Deco is een kunstrichting, gesitueerd tussen 1915 en 1940. De periode behelsde twee tegenstrijdige stromingen. Enerzijds werd de stijl gekenmerkt door kostbare, rijke materialen, dikwijls met de hand vervaardigd, decoratief en luxueus. Anderzijds werd er gestreefd naar simpele, functionele vormen en naar massaproduktie. Binnen deze tweede stroming werd veel kunststof gebruikt, onder andere bakeliet, de eerste kunststof, door een Belg in 1909 ontwikkeld. Deze beide richtingen hebben slechts met elkaar de tijd van toepassing gemeen. Tot de laatste "functionele" groepering behoort het Duitse Bauhaus, De Stijl in Nederland en de L'Esprit Nouveau uit Frankrijk. Alhoewel in zeer veel opzichten van elkaar verschillend dragen beide stromingen dezelfde naam: Art Deco. Het kostbare luxueuse Art Deco ontwikkelde zich gelijktijdig met de Art Nouveau en hadden beiden als bakermat en inspirato de Arts and Crafts beweging uit Engeland. Binnen de Art Deco werd de golvende lijn, de zweepslag, vereenvoudigd, geometrischer, zoals onder andere te zien is in het vroege werk van de Nederlander Chris van der Hoef en bij de Belg Henry van de Velde.

Het kunstzinnige, rijke Art Deco kende zijn bloeitijd vooral in de twintiger jaren, de Roaring Twenties, samen met de opkomst van de jazz en de big-bands, met als definitief einde de beurskrach uit 1929, toen veel nouveaux riches, met name de nieuwe rijken uit de Eerste Wereldoorlog, hun geld verloren. Daarna was er de grote doorbraak van de simpele, modernistische Art Deco, met zijn bakelieten radio's, juke-boxen, stalen meubelen en dergelijk. Een zeer grote naam uit deze tijd was Le Corbusier, die op de wereldtentoonstelling van 1925 nog ondermaats was weggemoffeld in een onaanzienlijk paviljoen op een afgelegen, niet erg toegankelijke plek. Overigens ontleent Art Deco zijn naam aan deze tentoonstelling.




Affiche uit 1925, Aankondiging
Parijse wereldtentoonstelling

De term "edelkitsch" werd onder meer gebruikt in verband met de als race-auto vermomde klok en de radio, die verdacht veel op een vliegtuig leek. Deze wat onaanzienlijke episode eindigde abrupt met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Wij bepalen ons in deze korte verhandeling hoofdzakelijk tot de overrompelende vormgeving van de kostbare objecten van de "echte" Art Deco. Inspiratie werd geput uit de Ballets Russes van serge Diaghilev die sinds 1909 in Parijs zijn balletten opvoerde. Léon Bakst was de decor-, en kostuumontwerper, zijn gebruik van exotisch felle kleuren brachten velen in extase.




Sèvres messenlegger,
Ontwerp H. Paliné, Ca. 1930

De opening van het graf van Toetankamon in 1922 bracht een hernieuwde belangstelling voor oude Egyptische vormen en motieven op gang en liet zijn invloed gelden in vele sier-, en gebruiksvoorwerpen. Ook de Azteekse cultuur werd gezien als inspiratiebron. Aan het kubisme en het fauvisme uit de schilderkunst werden abstracte vormen ontleend, zoals concentrische cirkels of delen daarvan, het zigzag en bliksempatroon, spiralen, gestillerde bloemen en vele andere motieven. Figuratief waren de dieren: de olifanten, windhonden en de reeën, ook fonteinen kwamen veelvuldig voor. Men vereenvoudigde oude meubelstijlen, zoals de Empire en Louis XVI en gebruikte exotische houtsoorten, zilver en edelstenen. Na de zachte pastelkleuren van de Art Nouveau zien ze nu heldere tinten. Ook in keramiek zien we deze felle kleuren terug, zoals in de jazzbeelden en serviezen van de Engelse Clarice Cliff, de vazen van Charles Catteau en Buthaud, de zeer artistieke hoogstaande beelden van Robj, Editions Etling en de maskers en beelden van Goldscheider. Sandoz maakte in Limoges zijn prachtige gestileerde dieren, al dan niet als serviesonderdelen. Bij Royal Copenhagen vervaardigde Knud Kyhn zijn robuuste grès beren en compacte mammoets. Sarreguemines had enkele pure Art Deco tête-à-tête's in zijn collectie, waaronder een waar juweeltje in korenblauw porselein.




Sarreguemines, Tête-à-Tête,
decor pergola, Ca. 1930

Ook op het gebied van lampen waren er hoogstandjes te bewonderen. Edgar Brandt was een waar genie met smeedijzer. Zijn lampen, vaak met Daumglas, werden en worden hooglijk gewaardeerd en zijn, gezien de toch al topprijzen voor Art Deco lampen, bijna onbetaalbaar. Maar ontegenzeggelijk onbeschrijfelijk mooi. De tafellampen waar bijvoorbeeld bronzen, al dan niet blote dames albasten bollen dragen of waar de melancholieke Pierrot op de maan zijn verdrietig lied zong, konden rekenen op een ruime belangstelling. Naast Daum waren er de bekende merken Muller Frères, Degué, Gallé, natuurlijk de grote René Lalique, Sabino, Schneider en verdere belangrijke Verreries. Naast al dat geweld van camee-slijpsels en het met zuren etsen, de verschillend gekleurde lagen glas (soms wel zeven, zoals bij Muller Frères) stond er de sprookjesachtige lichtheid van het pâte de verre, een uit de oudheid door Henry Cros in 1883 herontdekte werkwijze. Men modelleerde met een koude glaspasta en bakte onder matige temperatuur, Cros had zelfs een oven gewoon in zijn Parijse appartement. Verfijnde lichtvoetigheid in raadselachtige kleuren met een uitstraling, zwevend tussen gesmolten kristal en vochtig aardewerk. Grote namen: Argy-Rousseau, Decorchemont, Amalric Walter.

Talentvolle bronswerkers maakten sierlijke danseressen in de buitennissige kleding van de Ballet Russes. De Roemeen Dimitri Chiparus liet zich vooral inspireren door Nizjinski en Ida Rubenstein, die onder andere Schérénazade dansten. Men werkte veel met chryséléphantine, dat wil zeggen een samenspel van ivoor en brons voor een wel zeer spannende combinatie. Dit samenspel tussen het tere, "zachte" ivoor met het harde, "agressieve" brons kwam al generaties voor maar werd pas in de Art Deco periode optimaal toegepast. Door het grote aanbod van ivoor uit Belgisch-Congo werd ivoor veel goedkoper dan brons, dus naast de artistieke waarde werd ook de financiële kant in het oog gehouden. Het koud schilderen van het brons in metalen kleuren vervolmaakte het kunstwerk.




Bronzen beeld van D.H. Chiparus,
Groen gepattineerd, 1930

Fritz Preiss, een leerling van prof. Otto Poertzel, werkte wel zeer naturalistisch. Zijn verschillende sportfiguren zijn vermaard. Zijn dames in eigentijdse kleding, wel of niet met windhonden, genieten alom bewondering. Hij maakte een vrouwelijke pilote (Amalia Earhardt?) met een nonchalante vliegenierscap op. Hij maakte een enthousiast jongetje, dat schreeuwend van verrukking een vis aan zijn hengeltje ophaalt. Hij maakte klokken en inktstellen van verschillende materialen: ivoor, marmer, brons, onyx enz. Een zeer veelzijdig artiest. Ook in Frankrijk aktief was Philippe, die monumentaal werk ontwierp in een simpele lijnvoering, strak en geometrisch. In Wenen werkte Tereszczuk ook veel met brons en ivoor in kleine genrestukken. Spiegels, meubels, kamerschermen, kandelaars, kleding, sieraden en tafelzilver (de Deen Georg Jensen!), de Art Deco drukte op alle denkbare voorwerpen een onuitwisbaar en nadrukkelijke stempel. Het is dan ook geen wonder dat juist in deze tijd het beroep van "ensemblier" ontstond. De ontwerper ontwierp niet slechts die ene stoel, die ene tafel, hij ontwierp de hele ruimte in volmaakte harmonie. Een goed voorbeeld is Josef Hoffman, één van de oprichters van de Wiener Werkstätte. Hij was de architect en de ensemblier van het Stockletpaleis in Brussel. Alles is er met elkaar in samenhang, alles ademt dezelfde fraaie, onuitwisbare sfeer. Tijdgenoot en vakbroeder Gustave Klimt heeft de mozaïken in de eetzaal ontworpen, die wonderwel in het geheel hun plaats vinden.

Hoewel we in Nederland geen typische Art Deco aanhangers kenden, ontstonden er, in meer of mindere mate, paralelle stromingen. "De Stijl" groep had meer van doen met het Duitse Bauhaus van Walter Gropius, dus meer met de "functionele" sobere stroming dan met de rijke Franse Art Deco. De Amsterdamse School is een verhaal apart. Hoewel hun meubelen en vooral hun lampen wel degelijk Art Deco impulsen kenden, is se Amsterdamse School toch vooral een beweging van architecten, die zich afzetten tegen de constructief toegepaste baksteen van Berlage. Zij deelden zijn voorkeur voor de baksteen, maar gebruikte hem puur als versiering. De meestal van gewapend beton opgetrokken woningen kleedden zij aan met nep voorzetwanden van baksteen in decoratief bedoelde vormen. Dit had hoegenaamd niets met de Art Deco gedachte te maken en dat de kunstnijverheid binnen deze groepering wel de Art Deco sfeer ademde en in niets de opvatting van de bouwmeesters deelde, wekt verwondering. Één der weinige Art Deco bolwerken in Nederland is ook in Amsterdam te vinden. Binnen de invloedsfeer van "De Stijl" en de "Amsterdamse School" werd eigenzinnig het fraaie Tuschinski Theater (1921) gebouwd. Hoewel we ons in dit verhaal niet buiten Europa begeven, moet toch stilgestaan worden bij de ontwikkeling van deze kunstuiting in Noord Amerika. De Imposante bouwkunst (Empire State Building, het Chrysler Building en vele anderen) wekken de grootste bewondering en we kennen in Europa helaas geen vergelijkbaar voorbeeld. Zeker niet uit deze periode. Zoals gezegd in het Art Nouveau stukje neemt de Wiener Werkstätte een aparte plaats in en verdient een eigen verklarend verhaal.

 Site Meter